Hoe nauwkeurig is een gps?

Steeds meer wandelaars en fietser gaan op stap met gps. Om te vermijden dat ze het juiste track kwijtraken, beantwoorde we hier de pertinente vraag: hoe correct is een gps-plaatsbepaling eigenlijk?

Op het terrein komen praktijkgerichte vragen naar boven. Eéntje daarvan heeft te maken met de nauwkeurigheid van gps systemen. Wandelaars en fietsers melden ons dat de positiebepaling die aangegeven wordt door de gps soms ernstig afwijkt van hun werkelijke positie. De verschillen kunnen oplopen van 15 à 20 m tot soms meer dan 100 m. Doen zij iets verkeerd? Is er iets mis met hun gps-toestel?

Satelieten

Neen, over het algemeen is er niets aan de hand met de gps en doe je zelf ook niets verkeerd. Geen enkele gps is 100% nauwkeurig. Afwijkingen zijn eerder regel dan uitzondering. Een betere vraag is dus: wat is een normale afwijking? En wanneer wordt het abnormaal?

Alles begint bij het simpele gegeven dat een gps satellietsignalen moet kunnen opvangen  om zijn positie te berekenen. Daarvoor moet de satelliet 'zichtbaar' zijn voor de gps, m.a.w. de rechte lijn tussen beiden moet ongehinderd doorlopen. Van een satelliet die zich achter de horizon of achter een berg bevindt, kan geen signaal ontvangen worden. Binnen een gebouw of onder de grond kan evenmin een signaal doordringen. Dat verklaart meteen waarom in een gebouw of in een tunnel de ontvangst wegvalt en er geen navigatie mogelijk is. Daar komt nog bij dat voor een positiebepaling meerdere satellieten nodig zijn. Minstens drie, maar liefst meer. Hoe meer satellieten zichtbaar zijn voor de gps, hoe nauwkeuriger die zijn positie kan berekenen.

Belangrijk is dat een gps rekening kan houden met zijn eigen onnauwkeurigheid. Daar bestaat een ingewikkelde technische uitleg voor, maar in essentie komt het hierop neer: de meeste gps-toestellen kunnen hun waarschijnlijke afwijking zelf berekenen en die zelfs tonen met behulp van een precisiecirkel rond het aangeduide positiepunt. Hoe groter de cirkel, hoe minder nauwkeurig de positiebepaling. De precisie kan verschillen naargelang je positie. Een paar meter verder gaan, volstaat soms al om de cirkel te zien vergroten of verkleinen. Op die manier weet je meteen dat er een waarschijnlijke afwijking is, en hoeveel meter die ongeveer bedraagt. 

(Ab)normaal

Civiele gps-toestellen (militaire systemen laten we buiten beschouwing) bieden in normale omstandigheden een nauwkeurigheid tot op enkele meters. Met 'normale' omstandigheden bedoelen we een  vlak en open terrein. De gps kan voldoende satellietsignalen ontvangen en de kans is groot dat al die satellieten zich in een goede constellatie ten opzichte van elkaar bevinden. Of in mensentaal, dat ze voldoende verspreid zijn over het volledige hemelruim. Hoe beter de spreiding, hoe nauwkeuriger de positiebepaling.

Uiteraard is de situatie niet altijd ‘normaal’. Hoe minder open en vlak de streek, hoe groter de afwijking kan worden. Het 'zichtbare' hemelruim wordt namelijk kleiner, waardoor je minder en zwakkere signalen ontvangt. In de nabijheid van rotswanden of tussen hoge gebouwen kan bovendien een weerkaatsingseffect optreden waardoor de signalen niet meer met dezelfde precisie kunnen geïnterpreteerd worden. Het is niet abnormaal dat in een diep steil dal de onnauwkeurigheid kan oplopen tot een paar honderd meter. De kans bestaat zelfs dat de gps helemaal geen plaatsbepaling meer toont, omdat hij niet genoeg signalen opvangt. Ga in zo’n geval gewoon wat verder en het probleem lost zich meestal vanzelf op. Je krijgt terug ontvangst en de precisiecirkel wordt terug kleiner.

Ook bossen met een dicht bladerdek kunnen een goede signaalontvangst belemmeren. Je kan dat zelf nagaan door een opgenomen track achteraf op je pc te vergelijken met een kaart die het gevolgde pad toont. Het zal opvallen dat de track in het bos veel meer van het pad afwijkt dan er buiten. Heb je in een bos een zo nauwkeurig mogelijke plaatsbepaling nodig, zoekd an een open plek op. De positionering zal vlug beter worden.

Rugzak

Nog een factor die invloed kan hebben, is ons lichaam. Vooral wandelaars dragen hun gps meestal mee op hun lichaam: aan een touwtje om de nek, in een broekzak of in een tas. In normale omstandigheden zal dit weinig verschil maken, al begraaf je hem best niet al te diep in je rugzak. Maar naargelang de omstandigheden minder 'normaal' worden, kan dit gegeven wel invloed hebben. Ook ons eigen lichaam kan een gps gedeeltelijk afschermen en de ontvangst bemoeilijken. In zo'n gevallen kan het al helpen als je de gps wat van je lichaam weghoudt.

Tenslotte nog dit: als je een route volgt (in tegenstelling tot een track) zullen mogelijke afwijkingen veel minder opvallen, hoewel ze zich evengoed voordoen. Zoals in 'Het verschil tussen een route en een track' wordt toegelicht, 'plakt' de gps een route op wegen en paden die op de kaart weergegeven zijn. Zelfs al plaatst een onnauwkeurige positie je een tiental meter van de weg af, dan is het voor de gps een koud kunstje om je toch het juiste pad te laten volgen. De wegcoördinaten zijn namelijk gekend en de gps zal zich daarop baseren om je verder te begeleiden.

Wie in het vervolg vaststelt dat hij volgens de gps midden door een gracht waadt, terwijl hij in werkelijkheid met droge voeten op de weg twee meter ernaast staat, hoeft dus niet onmiddellijk te vrezen dat er iets scheelt met de gps. Afwijkingen van een paar meter zijn 'normaal'. Ook grotere afwijkingen hoeven niet meteen een reden tot paniek te zijn. Meestal is er een verklaring voor, en hopelijk helpt bovenstaande uitleg je om die te doorgronden.

Toch willen we niet helemaal uitsluiten dat er wel degelijk iets aan de hand kan zijn met je gps of de manier waarop je die gebruikt. Stel je altijd of bijna altijd abnormaal grote afwijkingen vast, neem dan best contact op met je gps verkoper of volg een gps cursus om te leren hoe je een toestel correct moet instellen.